3. Het zeil

Hoe maakt een zeil kracht?

3.1Stroomlijnen

Wat doet lucht als de doorgang smaller wordt?

Uitleg

Lucht kan niet zomaar verdwijnen. Wordt de doorgang smaller, dan moet dezelfde lucht er sneller door. Waar de lucht snel stroomt, is de druk laag: de stroomlijnen liggen daar dicht bij elkaar. Een plaat schuin in de wind buigt de lucht af. Daarbij ontstaat boven lage druk en onder hoge druk.

3.2Zeil als vleugel โ˜…

Hoe zet je het zeil zo dat het de meeste kracht geeft?

Uitleg

Het zeil buigt de lucht af. Daardoor is de druk aan de lijkant laag en aan de loefkant hoog. Dat drukverschil duwt het zeil: de zeilkracht. Met te weinig aanvalshoek klappert het zeil. Met te veel laat de lucht aan de lijkant los (overtrokken): je krijgt minder lift en meer weerstand. De tell-tales laten zien aan welke kant de stroming loslaat.

3.3Van aan de wind naar voor de wind

Wat gebeurt er met de zeilkracht als je afvalt?

Uitleg

Aan de wind werkt het zeil als vleugel (liftprofiel). De zeilkracht wijst dan vooral opzij: veel dwarskracht, weinig voortstuwing. Val je af, dan draait de zeilkracht naar voren. Voor de wind vangt het zeil alleen de wind (weerstandsprofiel): de kracht wijst met de wind mee. De bootsnelheid komt uit het bootmodel, bij 12 knopen werkelijke wind.

3.4Twist

Waarom draait het zeil bovenin open?

Uitleg

Hoog boven het water waait de werkelijke wind harder dan laag. De vaartwind is op elke hoogte even groot, dus bovenin komt de schijnbare wind meer van opzij. Zonder twist is het zeil daar overtrokken: de tell-tale aan het achterlijk draait rond. Met twist draait het zeil bovenin open en heeft elke hoogte de goede aanvalshoek; bij veel wind geef je extra twist om druk te lozen, zodat de boot minder helt.