8.1Golven en rompsnelheid
Waarom vaart de boot niet sneller dan zijn eigen golf?
Uitleg
Een boot die vaart, maakt golven. Hoe sneller je vaart, hoe langer de golf: λ = 2π·v²/g. Bij de rompsnelheid is de golf even lang als de waterlijn (ongeveer 2,43 × √lengte, in knopen). Een zware boot moet daarboven tegen zijn eigen boeggolf op. Een lichte jol kan gaan planeren: hij glijdt over het water.
8.2Trim
Waar zet je de bemanning neer?
Uitleg
Bij weinig wind remt vooral het nat oppervlak. Zet de bemanning naar voren: de brede spiegel komt uit het water en sleept niet meer. Bij veel wind duwt het zeil de boeg omlaag. Zet de bemanning dan naar achteren. Een beetje helling maakt het nat oppervlak kleiner. Het model is vereenvoudigd: de snelheid ligt vast en de trimhoek is twee keer zo groot getekend.
8.3Gewichtsspreiding in golven
Waarom houd je het gewicht dicht bij elkaar?
Uitleg
Elk gewicht telt mee in de traagheid: massa keer de afstand tot het midden in het kwadraat (I = Σ m·r²). Zit de bemanning ver uit elkaar, dan is de boot traag. Hij volgt de golven niet en de boeg slaat in de golf. Dat kost snelheid. Net als een dumbbell: met de gewichten dicht bij je hand draai je hem veel makkelijker.