10. De start

Hoe kom je op het startschot met volle snelheid over de lijn?

10.1Welke kant van de lijn?

Waar op de lijn start je het dichtst bij de bovenboei?

Uitleg

Aan de wind kun je niet recht naar de bovenboei varen: je kruist. Hoe vaak je overstag gaat, maakt dan weinig uit. Wat telt, is hoe ver de boei tegen de wind in ligt. Draait de wind, dan ligt één kant van de lijn verder tegen de wind in. Die kant is gunstig. De kleur op de lijn toont hoeveel meter je daar wint.

Op het water controleer je het met de neus in de wind: leg de boot recht in de wind op de lijn. Wijst de boeg meer naar het startschip, dan is dat de gunstige kant. Wijst hij meer naar de boei, dan de boei.

Een bovenboei die opzij ligt, maakt bij een constante wind pas uit als hij buiten de laylijn ligt: de lijn waarlangs je de boei met één slag haalt. Dan moet je de laatste meters ruimer varen, en wint de kant die dichter bij de boei ligt. De snelheden komen uit het bootmodel van de Laser Vago bij matige wind.

10.2Startsimulator ★

Ben jij op het schot bij de lijn, met volle snelheid, aan de goede kant?

Uitleg

Een goede start heeft vijf eisen. Tijd: je gaat precies op het schot over de lijn. Snelheid: je vaart dan al op volle snelheid. Koers: je vaart aan de wind, meestal over stuurboord. Plaats: je start aan de gunstige kant van de lijn. Positie: je zit in vrije wind, niet achter een andere boot. Die laatste komt later, met tegenstanders.

Je bedient het roer en twee schoten: de fokkeschoot en de grootschoot. Met een schoot op perfect staat dat zeil altijd goed. Vier je beide, dan klapperen de zeilen en remt de boot af. Zo houd je je plek bij de lijn. Maar een boot zonder snelheid drijft opzij weg, en op snelheid komen kost ongeveer vijf seconden.

Vier je maar één zeil, dan draait de boot, net als in 7.1. De fok staat voor het lateraalpunt en trekt de boeg van de wind af. Het grootzeil staat erachter en trekt de spiegel van de wind af. Vier je het grootzeil, dan valt de boot af. Vier je de fok, dan loeft hij op. Staan beide goed, dan vaart de boot rechtdoor met het roer in het midden.

Het roer staat waar je de schuif zet, en beweegt zo snel als jij de schuif beweegt. De rode pijl is de kracht van het water op het roerblad. Die kracht hangt af van hoe het water langs het blad stroomt: door de vaart, door het draaien van de boot en door het zwaaien van het blad zelf. Gooi je het roer in één keer ver om, dan remt de boot hard af. Haal je het snel terug naar het midden, dan duwt het blad de boot juist een beetje vooruit. Zo kun je een stilliggende boot ook vooruit wrikken. In een wedstrijd mag dat niet. Bij veel roer laat de stroming los: dan draait de boot nauwelijks sneller, maar remt hij veel meer.

De boot is de Laser Vago uit hoofdstuk 9, bij matige wind. Aan de wind vaart hij ongeveer 4,5 knopen, op 42° van de wind.

De hulplijn wijst naar waar je op het schot bent als je zo doorvaart. Groen is achter de lijn, rood is te vroeg. Ben je op het schot over de lijn, dan moet je terug tot onder de lijn en opnieuw starten.

Bij een scheve lijn komt de wind niet recht van boven. Eén kant van de lijn ligt dan dichter bij de bovenboei. Draai de boot met de neus in de wind: wijst de boeg meer naar het startschip of meer naar de boei? Die kant is gunstig.

Tien seconden na het schot wordt je start gemeten: hoeveel meter lig je achter een boot die precies op het schot aan de gunstige kant op volle snelheid over de lijn ging?