9. Zeiltrim

Wat doet een lijn met het zeil, en is dat goed voor deze wind?

lijn→zeilvorm→stroming→resultaat

9.1Zeilvorm in drie getallen

Hoe beschrijf je de vorm van een zeil?

Uitleg

Snijd het zeil op drie hoogtes door: onder, midden en boven. Elke doorsnede is een gebogen lijn. De rechte lijn van voorlijk naar achterlijk heet de koorde. De diepte is hoe ver het zeil het verst van de koorde af staat, als deel van de koorde. Het diepste punt is waar dat is: voorin of achterin. Ligt het voorin, dan is de voorkant van het zeil rond: de intreehoek is groot. De twist is hoeveel verder het zeil boven openstaat dan onder.

9.2Trimbord ★

Wat doet deze lijn met de vorm van het zeil?

Uitleg

De Laser Vago heeft vijf lijnen om de zeilen te trimmen. De grootschoot zet de hoek van de giek. Dicht bij de hartlijn trekt hij de giek ook omlaag: minder twist. De neerhouder houdt de giek omlaag, ook als je de schoot viert: minder twist. Hij buigt ook de mast iets, zodat het zeil vlakker wordt. De cunningham spant het voorlijk: het diepste punt gaat naar voren en het zeil wordt bovenin vlakker. De onderlijkstrekker maakt het zeil onderin vlakker. De fokkeschoot loopt door vaste lei-ogen: aantrekken zet de fok dichter, met minder twist en een strakker onderlijk.

De Polyvalk heeft een gaffeltuig: het grootzeil hangt tussen de giek, de mast en de gaffel. Er is geen neerhouder en geen onderlijkstrekker. De grootschoot zet de hoek van de giek. Dicht bij de hartlijn trekt hij de giek ook omlaag: minder twist. Vier je hem, dan komt de giek omhoog en draait het zeil bovenin open. De klauwval hijst de klauw van de gaffel, de halstalie trekt de hals omlaag. Allebei spannen ze het voorlijk: het diepste punt gaat naar voren en het zeil wordt iets vlakker. Daarom staan ze hier op één schuif. De piekeval houdt het uiteinde van de gaffel omhoog. Zakt de piek, dan valt de gaffel af naar lij: meer twist, en bovenin een voller zeil. De fokkeschoot zet de fok dichter. Het lei-oog van de fok kun je verzetten. Naar voren trekt de schoot meer omlaag: minder twist en een voller onderlijk. Naar achteren: meer twist en een vlakker onderlijk. De lijnen waarmee het zeil aan giek en gaffel vastzit, blijven hier buiten: die worden bijna nooit versteld.

De Topaz 16 is een catamaran zonder giek. Het grootzeil heeft latten over de hele breedte. De mast draait vanzelf mee met het zeil; dat stel je niet zelf in. De latten houden de bolling vast, dus er is geen onderlijkstrekker. De schoot trekt direct aan de schoothoek. Daardoor zet de grootschoot vooral de twist: aantrekken trekt het achterlijk dicht. De overloop zet de hoek: hoe ver de schoothoek opzij staat. Bij de Vago is het andersom: daar zet de grootschoot de hoek en de neerhouder de twist. De cunningham maakt het zeil vlakker en zet het diepste punt naar voren. Hij buigt ook de top van de mast, zodat het zeil bovenin opendraait. De fokkeschoot zet de fok dichter, met minder twist.

De vorm is berekend bij matige wind. De richting van elk effect komt uit de trimtheorie, de grootte is een schatting.

9.3Zeilvorm in de wind ★

Is deze zeilvorm goed voor deze wind?

Uitleg

Trimmen is de balans zoeken tussen power, helling en roeruitslag. Bij weinig wind wil je zoveel mogelijk kracht: een dieper zeil met weinig twist. Bij veel wind kan de bemanning de boot niet meer rechtop houden. Dan loos je druk: het zeil vlakker en meer twist, zodat het bovenin open gaat. Bovenin waait het harder dan onderin. Daardoor valt de schijnbare wind daar ruimer in, en mag het zeil bovenin iets verder open.

Per hoogte zie je hoe de lucht langs het grootzeil stroomt. Is de aanstroomhoek (de hoek tussen de schijnbare wind en de koorde) te klein, dan klappert het zeil. Is hij te groot, dan laat de stroming los en is het zeil overtrokken. Zet het vinkje aan om de hoek te zien.

Aan de wind stuurt een stuurman voor je. Hij stuurt op de tell-tales van de fok: zo hoog als de fok toelaat. Je trim bepaalt dus ook hoe hoog je vaart. Een strakke fok laat je hoger varen. Trek je hem te strak, dan knijp je de boot af en valt de snelheid weg. Bij halve en ruime wind ligt de koers vast.

De meter snelheid vergelijkt je trim met de beste trim die het model voor deze wind en koers vindt. Aan de wind telt de snelheid naar de wind (VMG): hoe snel je bij een boei recht tegen de wind in komt. Bij halve en ruime wind telt de bootsnelheid. Komt het hellend koppel voorbij de streep, dan houdt de bemanning de boot niet meer rechtop, en dat kost snelheid. De roeruitslag is een schatting: helling en een diepste punt ver achterin maken de boot loefgierig. Een groot roer remt.

Fok en grootzeil werken samen. Voor het grootzeil buigt de wind af: de fok krijgt de wind meer van opzij en kan dichter staan. Achter de fok komt de wind meer van voren: het grootzeil krijgt daar minder aanstroomhoek, en minder als je de fok aantrekt. Boven de fok krijgt het grootzeil de vrije wind.

Bovenin is het zeil smal, en daar waait het harder. Daarom heeft het zeil bovenin de grootste aanstroomhoek. Zonder twist laat de stroming daar het eerst los.

Op de Polyvalk loos je druk met de piek: laat de piekeval iets zakken, dan draait het zeil bovenin open. Een strak voorlijk (klauwval en halstalie) maakt het zeil vlakker.

Op de Topaz loos je druk met de grootschoot: vier hem, dan draait het zeil bovenin open. De cunningham maakt het zeil vlakker. De Topaz vaart sneller dan de andere boten, dus de schijnbare wind komt verder van voren.

Trimtabel van Jikke (uit de presentatie)
Aan de windRuime koersen
Underpoweredneerhouder: beetje aan
cunningham: plooien uit het zeil
onderlijk: hand of vuist ertussen
neerhouder: los
cunningham: los, wel plooien eruit
onderlijk: hand ertussen
Overpoweredneerhouder: heel strak
cunningham: strak
onderlijk: vuist ertussen
neerhouder: los (strak = zwemmen)
cunningham: plooien eruit
onderlijk: hand ertussen

9.4Tell-tales lezen

Het zeil staat verkeerd. Welke lijn pak je?

Uitleg

Op het water zie je de stroming niet, maar de tell-tales wel. Op de fok zitten ze vlak achter het voorlijk, aan beide kanten. Wappert de tell-tale aan loef, dan staat de fok te los: aantrekken of afvallen. Wappert die aan lij, dan staat hij te strak: vieren of oploeven. Op het grootzeil zitten ze aan het achterlijk. Stromen ze recht naar achteren, dan is het goed. Draaien ze weg naar lij, dan laat de stroming los: het zeil staat te strak of heeft te weinig twist. Een te los grootzeil zie je aan het voorlijk: het klappert.

Aan de wind stuurt de stuurman op de tell-tales van de fok. Een verkeerde fok zie je dan aan de hoek met de wind. Staat de fok te los, dan valt de boot af en vaart hij laag. Staat hij te strak, dan loeft de stuurman te hoog op: de boot knijpt af en wordt traag.

9.5Uitdaging: trimrace

Kun je de boot met trimmen even snel laten varen als de beste trim?

Uitleg

De boot vaart zelf de baan. Jij trimt alleen. Op de kruisrakken stuurt de stuurman op de tell-tales van de fok, en aan de rand van de baan gaat hij overstag. Daar telt hoe snel je naar de boei boven komt (VMG). Bij halve en ruime wind telt de bootsnelheid. Elk rak vraagt om een andere trim, dus bij elke boei trim je opnieuw. De doorzichtige boot vaart met de beste trim die het model vindt.

Je snelheid komt uit het model. De boot vaart zo hard dat de voortstuwing van de zeilen even groot is als de weerstand van romp, zwaard, roer en lucht. De boot versnelt en remt niet meteen af. Bij meer wind is de baan langer, zodat een race steeds ongeveer even lang duurt.

Met Moeilijk zie je de kleuren en de meter voor snelheid niet. Dan lees je de zeilen aan de tell-tales, zoals in 9.4 en op het water.